Wereldburgers

                                                 Zaterdagavond zat ik alleen thuis. Ik zat heel hard over de wereldburger na te
                                                 denken, en dat duurde en duurde maar. Opeens - het was al na één uur
                                                 's nachts - ging de bel. Wie mocht dat zijn, zo laat? Ik keek uit het raam naar
                                                 beneden en zag een korte meneer in een zwart pak met een dophoed op zijn
                                                 hoofd. Zodra hij mij zag, begon hij wild te zwaaien. Het leek urgent te zijn.
                                                 Ik steeg de trap af en deed open. "Eindelijk, " zei hij opgelucht, "Schiet op,
                                                 we zijn al te laat."
                                                 Voordat ik wist, wat gebeurde, had hij me al een lange zwarte auto ingesleurd,
                                                 en de chauffeur stapte meteen op het gas.
                                                 "Je weet wat je te doen staat?" vroeg hij.
                                                 "Ik heb geen idee," zei ik. "Maar als het daarover gaat, ik ben niet de jongen
                                                 met de hennepkwekerij, die woont op 37."
"Onzin," zei hij. "Vanavond is de grote wedstrijd van de wereldburgerij. Er is een tiental kandidaten, maar slechts één kan de echte wereldburger zijn. Jij bent gekozen, deze wedstrijd  beslissen. Kijk, in dit doosje ligt een gouden wereldbol. Nadat je elk kandidaat hebt leren kennen, kies je de winnaar door hem deze wereldbal te overhandigen."

  
                                                                                          Wij arriveerden bij de Euromast, stapten uit de auto en
                                                                                          namen de lift naar boven. De stad beneden sliep onder
                                                                                          een deken van gelige lichtpuntjes, maar hier boven
                                                                                          bruisde het leven. Een bont gezelschap van elegante
                                                                                          en minder elegante gasten stond rond hoge tafeltjes,
                                                                                          slurpde pilsjes en kauwde op borrelnootjes.
                                                                                          "Mag ik ook even een biertje?" vroeg ik aan de
                                                                                           meneer. "Mijn keel is zo droog."
                                                                                           Hij diende me een strenge blik toe en schudde het
                                                                                           hoofd.
                                                                                           "Als je klaar bent met je taak, mag je zoveel biertjes
                                                                                           drinken als je wilt. Nu heb je een helder hoofd nodig."
                                                                                           Hij sloeg de handen op elkaar en riep: "Dames en
                                                                                           heren. De scheidsrechter is gearriveerd. De wedstrijd
                                                                                           kan beginnen!"
                                                                                           Het was meteen stil. Duidelijk had iederen op dit
                                                                                           moment gewacht. De meneer met de bolhoed haalde
                                                                                           de wereldbol uit het doosje en duwde hem in mijn
                                                                                           hand.
                                                                                           "Kandidaat Nummer 1!" riep hij plechtig.
                                                                                           Nummer 1 was een zakenman in een grijs pak. Hij had
                                                                                           een spitse kin, die hij net als een ijsbreker naar voren
                                                                                           schoof.
                                                                                           "Ik ben een echte wereldburger," zei hij, "want ik ben
                                                                                           overal geweest: Europa, America, Asïe, Australïe,
                                                                                           noem maar op. Overal doe ik zaken. Vanochtend
                                                                                           bijvoorbeeld werd ik wakker in een hotel in New York, s'middags had ik een vergadering in Tokyo en nu ben ik hier. Ik heb tijdens mijn zakenreizen al 36 verschillende landen bezocht. Ik heb onderhandeld met chinezen, italianen, duitsers, marrokanen, indianen en marsmannetjes, en ik heb ze allemaal grondig belazerd. Het vliegtuig is mijn tweede thuis. Daarom ben ik de echte wereldburger!"
Kandidaat Nummer 2 kwam naar voren. Het was een stewardess in een net blauw stewardessenpakje, met een koffertje op wieltjes, die zij achter zich aantrok.
"Als hier iemand zeggen kan, dat zij overal thuis is, dan ben ik dat," zei ze. "Ik heb in mijn leven al 63 luchthavens in 46 landen bezocht. Dat is 10 landen meer dan Nummer 1, en bovendien ben ik jonger en heb hogere kans op nog meer landen. Daarom ben ik  de echte wereldburger!"
"Wat een onzin," zei een meneer met heldere blauwe ogen achter een lange, warrige baard. "Jullie kennen niets. Jullie vliegen de hele wereld rond, zonder iets van de wereld te zien. Jullie slapen in luchthavenhotelletjes, omdat die overal hetzelfde zijn. Voor jou, zakenman, bestaat de hele wereld slechts uit geld, en verder zie je niets; jij, stewardess, kent de wereld alleen als een lange lijst van aankomst- en vertrektijden. Ik daarentegen heb echt gereist. Ik ben met de Indianen op jacht geweest, ik heb met de pygmies korfbal gespeeld, ik ben de chinese muur afgelopen, ik heb wormen gegeten met de aboriginals in Australïe. Ik ben een moderne nomade; ik durf de wereld aan; ik ben de wereldburger."
Mijn keel werd steeds droger. Ik zwaaide even naar het meisje aan de bar om een biertje, maar zij zag me niet. Toen ik voorzichtig achteruit liep, naar de bar toe, botste ik tegen een koe.
"Dat," riep de meneer met de bolhoed, "is kandidaad nummer 4."
"Moe," zei de koe. De meneer met de bolhoed legte uit. "Dit rund is een bijzondere teelt, die van een grote fastfoodbedrijf wereldwijd tot fabricatie van zijn burgers gefokt wordt. Iedere hamburger wordt uit zo een rund gemaakt. De hele wereld eet dit soort rund. Daarom staat deze koe kandidaat voor de wereldburger!"
"Wat flauw!" riep de stewardess. "Een dier kan toch geen burger zijn!"
"Ga weg, koe!" zei de zakenman, maar hij durfde het beest niet aan te raken. De avonturier daarentegen trok een lang mes. De meneer met de bolhoed had goed te doen, voordat het weer enigszins rustig werd.
Ik zag mijn kans en liep snel naar de bar. Het meisje tapte een biertje voor me en vroeg: "Het je een waardebon?" "Nee," zei ik. "Ik heb alleen dorst." Ze lachte en wees op mijn hand. "Wat heb je daar?" vroeg ze.
De gouden aardbal was in mijn warme hand gesmolten; het was namelijk weinig anders dan een grote chocoladebol met gouden aluminiumfolie omheen. Voorzichtig legte ik dat ding op de bar.
De wedstrijd ging door. De gevoelens bij de kandidaten naderden het kookpunt. De meneer met de bolhoed had het te druk, om mijn afwezigheid op te merken.
"Verantwoordelijkheid!" riep een meneer in een elegante trui met groene strepen. "Daar gaat het om! Verantwoordelijkheid voor de wereld, geen reizen, geld, macht, weet ik veel! Ik help de derde wereld; ik heb groene stroom; ik scheidt papier van metaal, metaal van plastic, en plastic van glas! Ik ben de wereldburger, want ik ga verantwoordelijk met haar om!"
"Ik ben de wereldburger, want ik ben lid van de enkele werkelijk  internationale organisatie," zei een meneer met een cigaar. "La Maffia!"
"Onzin! Het gaat om  verantwoordelijkheid!" riep de meneer in de gestreepde trui en pakte de mafioso bij zijn prachtige witte kraag.
Een klein jongetje, die ik tot dan toe nog niet had opgemerkt, kwam naast me zitten, pakte een schaal met pinda's en sloeg ze in een keer achterover.
"Heb je nog iets te eten?" vroeg hij dan.
"Wat doe je hier?" vroeg ik terug.
"Ik ben kandidaat nummer 32," zei hij. "Ik werk in een sweatshop in Bangladesh. Van mijn tien broers en zussen zijn zeven al dood, maar de schoenen die ik maak lopen door de hele wereld, en het bedrijf waarvoor ik werk draait zijn reclame op alle televisiekanalen. En ik heb vreselijke honger. De meneer met de bolhoed zei namelijk, dat er geen tijd meer was om te eten voor de wedstrijd."
"Heb je nog iets te eten?" vroeg ik aan het meisje achter de bar.
Zij schudde het hoofd.
"De pinda's zijn op. Hoe zit het met die kapotte chocoladebol van jou?"
"Goed dan," zei ik tegen de jongen. "Jij hebt gewonnen. Dan mag je de sjokoladebal opeten, en het is nog politiek correct ook."
Maar toen ik me omdraaide, om de wereldbal van de bar te nemen, was niets meer van de trofee te bekennen. Naast mij stond de koe. Zij smakte met de lippen en spuugde dan een gouden aluminiumpapiertje uit.
"Daar gaat jouw wereldbol," zei ik tegen de jongen. "Sorry."
"Geeft niets," zei hij. "Dat ben ik gewend."
De wedstrijd was ondertussen volledig uit de hand gelopen. De avonturier was de zakenman met zijn mes ter lijf gegaan, maar net op tijd had de stewardess hem met een hoge hak knockout geslagen. Een buddhistische monnik zweefde een halve meter boven de grond en zong het Om mani padme hum. De verantwoordeljke meneer met de streepjes en de mafioso waren vrienden geworden en sloegen hun tiende genever achterover. En de meneer met de bolhoed liep van een kandidaat naar de ander en probeerde
tevergeefs de rust weer te herstellen.
"Laten we gaan ontbijten," zei ik tegen het jongetje.
"Ik ga mee," zei het meisje achter de bar. "Ik weet een goede plek."
Bij de lift ontmoetten wij de koe. Zij had er ook genoeg van gehad. Toen we beneden stonden, en de zon langzaam boven de rivier de maas verscheen, en verre havengeluiden in onze oren drongen, en
een meeuw schreeuwend de horizon doorklief... daar was de wereld groot en mooi en heel en vredig.
En we gingen met z'n vieren koffie drinken, en de koe trakteerde.

                                                                                                              (
Terug naar overzicht symposium Kosmopolis)
 
  Home

  Stichting Vredes-
  Wetenschappen

  Visie en Missie

  Statuten

  Bestuur

  Raad van
  Advies

  Vrienden
  Stichting

  Jaarverslagen

  Vereniging voor
  Economie en
  Vrede


  Leerstoel ECP

  Hoogleraar ECP

  Nieuws

  Gastcolumn

  Scriptieprijsvraag