De Nieuwe Commune Van Zeno Over Humanistiek, Vriendschap en
Wereldburgerschap. (door prof. em. dr Henk Manschot)
Vanmorgen is mij een prachtig boek aangeboden. De titel luidt: Humanisme
en Religie. Dit thema was gekozen, zo zeiden de initiatiefnemers mij, om-
dat de sleutelwoorden 'Religie' en 'Humanisme' twee polen symboliseren
van mijn eigen levensloop. En inderdaad, in mijn leven valt een spoor te
trekken dat begint bij een katholiek dorpsjongetje uit een verre Achterhoek
van Nederland om vervolgens via een monastieke incubatietijd uit te lopen
op een humanistische levenswijze; ook in professioneel opzicht loopt er
zo'n soort lijn: van leraar aan een theologisch instituut naar hoogleraar aan
een universiteit voor Humanistiek. Heb ik door deze keuzen te maken de
juiste richting gekozen? Sterker nog: heb ik niet precies de verkeerde
richting gekozen? Sommige van mijn vroegere kompanen hebben me in alle vriendschappelijkheid wel eens fijntjes die spiegel voorgehouden. Daarin kon ik zien dat de gang in de richting van het humanisme op zijn zachtst gezegd getuigde van enige naïviteit. En toegegeven, de groeiende belangstelling voor religie en spiritualiteit die onze samenleving de laatste jaren ten toon spreidt, lijkt hen uiteindelijk gelijk te geven. Wijst dat er immers niet op dat ik de tekenen van de tijd verkeerd heb verstaan? Was ík dan kortzichtig door niet verder te kijken dan naar de mens en zijn humanisme? Ik heb me die vraag natuurlijk meerdere malen gesteld. Sta mij toe, bij het sluiten van de winkel, mijn keuze hier toe te lichten.
Zeker is dat ik in de afgelopen vijftien jaar, sinds mijn aantreden in 1989, de stap naar het humanisme steeds bewuster heb gezet. Hoe heb ik die overgang, die bekering zo U wilt, ervaren? Wel, allereerst als een bevrijding. Eenmaal buiten het bolwerk van een katholiek-theologisch instituut heb ik pas gemerkt hoe - onder de oppervlakte van mijn denken en handelen - een 'ik' leefde dat tot diep in zijn vezels toch rekening hield met verwachtingen van een kerkelijk gezag die ik steeds minder deelde. Eindelijk vrij en alle ruimte om vrij te denken. Zo voelde het. In de nieuwe omgeving van het humanisme ervoer ik pas hoe subtiel de druk kan zijn die dergelijk gezag uitoefent. Maar, en dat is de tweede ervaring, de euforie van de bevrijding werd spoedig gevolgd door gevoelens van teleurstelling over het humanisme, over wat het humanisme van toen mij te bieden had. Had ik teveel verwacht? Was de teleurstelling slechts de keerzijde van mijn projecties en mijn fantasieën over vrijheid en vitaliteit? Raakte ik opnieuw in de ban van dromen die onvermijdelijk te pletter zouden slaan op de realiteit van alledag?