
Coreferaat "Kosmopolis, het ei van Columbus"
De visie van Jan Tinbergen (door Piet Terhal 20 maart 2007)
In de mooie afscheidsrede van Henk Manschot aan de Universiteit voor
Humanistiek, gehouden op 21 januari 2005, staat een passage over
"kosmopolitisme" en de "humanitaire moraal". Daarin wordt betoogd dat
het kenmerkende van "kosmopolitisme" is, dat de humanitaire moraal een
opgave wordt van de politiek zelf en er niet naast blijft staan. Ik citeer:
" Daardoor komt alle aandacht te liggen bij de vraag hoe een politieke
gemeenschap de humanitaire waarden in haar locale identiteit opneemt,
hoe bereikt wordt dat het trekken van grenzen dat eigen is aan politiek
bedrijven, niet tot uitsluiting leidt die inhumaan wordt; hoe men vreemde-
lingen respectvol tegemoet treedt binnen eigen grenzen en zich even
respectvol gedraagt naar buiten. Wereldburgerschap wordt tot een kwali-
teit van het locale zelf, tot een andere naam voor de humane kwaliteit van
de eigen cultuur en de eigen 'nationale' politieke spelregels."
Ik kan deze passage onderschrijven, maar wil er
wel een aanvulling op geven. Deze aanvulling ligt
op het vlak van de politieke instituties. Ik ontleen
deze gedachte aan het werk van Jan Tinbergen.
Tinbergen heeft zich de vraag gesteld naar het
optimale niveau van besluitvorming. Er zijn in een
samenleving verschillende niveau's van
besluitvorming, het laagste niveau is het
individuele, waar mensen zelf direct beslissen, dan
volgen de kleinste gemeenschappen, de gezinnen,
de buurten en wijken, het niveau van de gemeente,
van de provincie, en het nationale niveau. Wat
bedoelt Tinbergen nu met het optimale niveau van
besluitvorming?
Hij stelt daarvoor twee regels op. Op de eerste
plaats moet het niveau zo dicht mogelijk bij
individuele mensen zelf liggen. Op de tweede
plaats moet het zo hoog liggen, dat al degenen die
aanmerkelijke gevolgen van de betreffende
beslissing ondergaan inspraak kunnen hebben.
Dat betekent dat het optimale niveau afhangt van
de zaak waarover het gaat en de breedte van de
effecten. Alle belanghebbenden moeten invloed
kunnen uitoefenen, maar het beslissingsniveau
moet tegelijk zo laag mogelijk zijn. Schuif dus niet
naar het Europese niveau wat geen bovennationale
consequenties heeft, maar til op wereldniveau die
zaken die wereldwijde repercussies hebben.
Hoe staat dit nu in verband met het kosmopolitisme
als morele kwaliteit van de politiek ? Waar Henk Manschot het trekken van grenzen als "eigen aan politiek bedrijven" beschouwt, en er vooral voor pleit, dat deze uitsluiting niet inhumaan wordt, biedt Tinbergen een aanvullend perspectief, namelijk dat er politieke instituties komen, die de zaken die allen aangaan behartigen. Op een dieper niveau zou men kunnen zeggen, dat voor Henk Manschot de vraag naar politieke instituties eigenlijk niet zozeer speelt.
Het gaat hem om de humane kwaliteit van de politieke cultuur bij gegeven eigen 'nationale' politieke spelregels. Maar is die politieke cultuur los te zien van de bestaande instituties ? Moet een "inclusieve politieke cultuur" zich niet uitdrukken in instituties die nu eens geen grenzen trekken ?
Ik wil dit met een voorbeeld illustreren. India is een land, dat enorme tegenstellingen kent in de mate van economische ontwikkeling. In deelstaten, zoals de Pundjab, Maharashtra en Gujarat heeft een snelle toename van de agrarische productie plaats gehad, gepaard aan sterke uitbreiding van ook de industrie. Deze gebieden oefenen een enorme zuigkracht uit op de arbeid de andere gebieden, waar de bedrijvigheid stagneert of slechts mondjesmaat groeit. Arbeidsmigranten komen uit alle delen naar India op de groeipolen af, soms over afstanden van 2000 km. Zij voorzien in een dreigend arbeidstekort, concurreren met de lokale arbeiders. Maar zij leven als vreemdelingen in een hen onbekende streek, in allererbarmelijkste omstandigheden, onbeschermd en uitgebuit. Zij blijven komen, omdat de situatie in het achterland nog uitzichtlozer is. Vergelijken we deze situatie nu eens met de trekarbeiders die vanuit Afrika Europa proberen te bereiken. Jaarlijks keren honderd duizenden jonge Afrikanen hun straatarme landen de rug toe en zoeken werk in het rijke Europa. Vaak uitgeleverd aan mensensmokkelaars zetten ze hun leven op het spel om binnen boord te komen, en veelal als uitgebuite illegalen werk in Europa te vinden.
Wat beide voorbeelden gemeen hebben, is dat grootschalige economische ongelijkheid tussen een centrum gebied en een perifeer gebied mensen op drift brengt. In beide situaties werkt een ongebreidelde arbeidsmigratie een verder uiteen groeien van centrum en periferie in de hand.
Om die vicieuze cirkel te doorbreken is het nodig, dat vanuit een hoger politiek niveau de migratie wordt ingekaderd in een meer evenwichtige welvaartsverdeling over de betrokken gebieden. Als we gaan nadenken over middelen om hier iets tegen te doen, komt een betekenisvol onderscheid aan het licht. India beschikt over overkoepelende politieke instituties, een grondwet, nationale politieke partijen, een nationaal parlement, democratische verkiezingen, persvrijheid, welke een proces van verbetering en humanisering in gang kunnen zetten. Deze politieke instituties beschikken in beginsel over de middelen om een meer rechtvaardige verdeling van welvaart over verschillende gebieden binnen India te bevorderen, onder andere door sociale wetgeving inzake interne arbeidsmigratie. Natuurlijk gaat dat in de praktijk uiterst moeizaam. In het geval van de arbeidsmigratie tussen Afrika en Europa is echter zelfs een dergelijk politiek instrumentarium afwezig. Dat wreekt zich in een eenzijdige besluitvorming, voortdurend op eigenbelang gericht door de machtigste partij, dat wil zeggen Europa. De instrumenten die Europa tot nu toe inzette om de migratie af te remmen, beperkten zich tot het steeds sterker trekken van grenzen. Nu dat niet helpt, wordt vanuit Europa druk uitgeoefend op Afrikaanse regeringen om zelf maatregelen te nemen tot afremming van de migratie. Maar waarom niet erkennen, dat er (net zoals in India) een fundamentele economische verdelingsproblematiek aan de orde is, die een veel krachtiger instrumentarium vereist ? Het gaat om bindende en evenwichtige samenwerkingsverbanden tussen Europa en Afrika waarin het recht om mee te beslissen van Afrikanen over alle zaken die hen aangaan wordt verankerd. De aanvankelijk zo geprezen ontwikkelingsverdragen van Yaounde, Lomé en Cotonou tussen een groot aantal Afrikaanse landen en de Europese Gemeenschap hebben door hun eenzijdigheid hun belofte nooit waar gemaakt. Europa besluit nog altijd over tal van maatregelen (bijvoorbeeld op het terrein van de handel, de schuldenproblematiek) met vaak verstrekkende negatieve gevolgen voor de economische ontwikkeling van Afrika, zonder dat er ook maar één Afrikaan aan te pas komt.
In dat verband wil ik ook wijzen op de toespraak, die Kofi Annan in december jongstleden hield op zijn afscheidstournee als Secretaris Generaal. Kofi Annan vat daarin in vijf punten de lessen samen die hij uit zijn werk als SG heeft getrokken. Hij deed daarbij een krachtig beroep op de huidige en de komende Amerikaanse president met een citaat van Harry Truman: "Zoals Harry Truman zei: de verantwoorde-
lijkheid van de grote staten is de volkeren van de wereld te dienen en niet te overheersen". In vijf punten vatte Annan voor zijn Amerikaanse gehoor de lessen samen die hij als VN-chef had geleerd:
1. In de hedendaagse wereld zijn we allemaal verantwoordelijk voor elkaars veiligheid.
2. Wij zijn eveneens verantwoordelijk voor elkaars welzijn.
3. Zowel veiligheid als welvaart zijn afhankelijk van respect voor de mensenrechten en de rechtsstaat.
4. Regeringen zijn verantwoordelijk voor hun daden, zowel in de internationale als in de nationale arena.
5. Multilaterale instellingen moeten op een eerlijke en democratische manier worden georganiseerd,
zodat ook de armen en zwakken enige invloed krijgen op de daden van de rijken en sterken.
Deze nadruk op de internationale politiek ontkracht natuurlijk niet Manschot's pleidooi voor een inclusieve locale politieke cultuur, maar vult hem aan. Willen Europese regeringen van hun bevolking de speelruimte krijgen om een stap verder te gaan in verplichtende internationale samenwerking met Afrika, dan zal dat alleen kunnen rusten op een stevig democratisch fundament. De opbouw van een dergelijk democratisch fundament wordt thans bedreigd door allerlei polariserende factoren. Een cultuur, die datgene benadrukt wat ons, hier en nu in de eigen samenleving, met vreemdelingen verbindt, kan direct bijdragen aan het overwinnen van deze polarisatie en zo indirect de weg vrijmaken voor een doorbraak in de internationale samenwerking.
Tenslotte is Nederland grondwettelijk gehouden aan de plicht om de wereldrechtsorde te bevorderen. Ervoor zorgen dat Nederland dat betreffende grondwetsartikel in daden omzet, onder andere door middel van een hervorming en versterking van de Verenigde Naties, lijkt mij bij uitstek een politieke uitdaging voor Nederlandse "wereldburgers".
(Piet Terhal 20 maart 2007)
(Terug naar overzicht symposium Kosmopolis)

